Winkelwagen
U heeft geen artikelen in uw winkelwagen
Er is veel preklinisch onderzoek gedaan naar de antimicrobiële (met name antivirale) activiteit van quercetine en achterliggende werkingsmechanismen.
Quercetine is te vinden in uiteenlopende (plantaardige) voedingsmiddelen zoals appels, bessen, bramen, uien, knoflook, bieslook, venkel, koolsoorten, sperziebonen, noten, citrusvruchten en tomaten. In voeding is quercetine aanwezig in glycosidevorm (gebonden aan een suiker), bijvoorbeeld in de vorm van rutine (quercetine-3-rutinoside) of isoquercitrine (quercetine-3-glucoside). Door bewaren bij hogere temperatuur, koken en/of schillen gaat quercetine deels verloren. Quercitine is ook als supplement verkrijgbaar.[5]
Het syndroom van Sjögren is een systemische auto-immuunziekte die gepaard gaat met ontstekingen van de traan- en speekselklieren, vermoeidheid en gewrichtsklachten. De ziekte ontstaat in het afweersysteem. Dit afweersysteem heeft als belangrijke taak het opruimen van bacteriën en virussen. Bij het syndroom van Sjögren gaat er iets mis in het afweersysteem. Het afweersysteem richt zich nu deels tegen het eigen lichaam met als gevolg dat er ontstekingsreacties ontstaan.
Sjögren komt ongeveer tien keer vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Het syndroom van Sjögren kan op zichzelf voorkomen, men noemt dit de primaire vorm. Daarnaast kan het syndroom ook voorkomen, naast een andere reumatologische aandoening zoals bijvoorbeeld reumatoïde artritis, men noemt dit de secundaire vorm.
Verticale transmissie van EBV tijdens de zwangerschap komt zeer zelden voor, 0.1 tot 0.3% o.b.v. PCR van amniocentesevloeistof (Gervasi 2012, Miller 2009, Baschat 1993). Een aantal wat kleinere studies vond geen aanwijzingen voor verticale transmissie, wat past bij de zeer lage kans hierop (Van den Veyver 1998, Fleisher 1983, Wenstrom 1998, Reddy 2005). Eén week postpartum werd bij 2 van de 67 (3%) neonaten EBV-DNA gevonden in bloed, alle moeders in deze studie waren EBV-seropositief (Meyohas 1996). Hierbij is echter onduidelijk of de transmissie voor, tijdens, of kort na de bevalling plaatsvindt. In een case-controle studie werden d.m.v. de hielprik bij 3 (0.9%) van de 339 kinderen met cerebrale parese EBV DNA gevonden, tegenover geen van de 594 controlekinderen (McMichael 2012).
EBV wordt tevens uitgescheiden via moedermelk (Junker 1991, Glenn 2012, Daud 2015). Dit lijkt echter geen belangrijke transmissieroute te zijn voor vroege infectie van kinderen (Kusuhara 1997). Pasgeborenen vertonen geen reactie op het virus of maken de infectie subklinisch door.
Met medewerking van de NVMM .
Het bloedbeeld bij een acute EBV -infectie is vaak opvallend: meer dan 50% mononucleaire cellen met meer dan 10% atypische lymfocyten. Hetzelfde beeld is echter te zien bij diverse andere infecties (bijvoorbeeld CMV -infectie of rubella) en bij acute lymfoblastaire leukemie. Vaak is er sprake van een granulocytopenie en/of een trombocytopenie. Bij het merendeel van de patiënten zijn er ook leverfunctiestoornissen.
Van oudsher maakte men gebruik van de reactie van Paul-Bunnell die gebaseerd is op het aantonen van heterofiele agglutinerende antistoffen. Deze reactie berust op de aanwezigheid van een polyclonale B-cel-respons vroeg in de infectie. Tijdens deze respons worden onder meer antistoffen gevormd die in staat zijn schapenerythrocyten tot in hoge verdunningen (> 1/640) te agglutineren.
Tegenwoordig wordt in plaats van de Paul Bunell vaak gebruik gemaakt van sneltesten gebaseerd op de agglutinatie van latexpartikels, die gecoat zijn met glycoproteïnen van runder- of paardenerytrocyten, om heterofiele antistoffen aan te tonen. Helaas is de sensitiviteit van deze sneltesten, met name vroeg in het ziektebeeld en bij jonge kinderen, niet heel hoog. De specificiteit is hoger, zeker in combinatie met een passend klinisch beeld. Heterofiele antistoffen kunnen soms tot een jaar na infectie aantoonbaar blijven.
Contra-indicaties zijn:
EGCG (epigallocatechinegallaat) uit groene thee heeft ook een antivirale activiteit tegen uiteenlopende virussen (remming virusaanhechting, celinfectie) en is net als quercetine een zinkionofoor (verhoging intracellulaire zinkconcentratie). Het mineraal zink remt intracellulaire virusreplicatie.