Blog

NHG Standaard voor Huidinfecties - Richtlijnen en Behandelingsopties

Conclusie

Gezien de lage resistentie die we vonden voor S. aureus in de commensale microbiota zullen hieraan gerelateerde huidinfecties in Nederland goed te behandelen zijn met de orale antibiotica die in de NHG-Standaard aanbevolen worden. De uiteindelijke effectiviteit van het antibioticum is uiteraard nog van vele andere factoren afhankelijk, zoals bijvoorbeeld het ziektebeeld en de therapietrouw van de patiënt.

De data waarop deze tekst is gebaseerd zijn verzameld in het kader van de APRES-studie. De studie is gesubsidieerd door de Europese Commissie en heeft in negen Europese landen de resistentiepatronen in commensale S. aureus, voorschrijfdata en nationale behandelrichtlijnen geanalyseerd. In de APRES-studie is samengewerkt tussen het NIVEL en de universiteiten van Maastricht, Antwerpen en Nottingham. Meer informatie is te vinden op www.nivel.eu/apres.

resistentieniveau en richtlijnen

De geadviseerde orale antibiotica voor de behandeling van aan S. aureus gerelateerde huidinfecties bij volwassenen en kinderen zijn, in het licht van de resistentie van S. aureus , adequaat [ tabel ]. Pas wanneer meer dan 20% van de bacteriën resistent is, wordt een ander antibioticum aangeraden. Voor de behandeling van impetigo wordt aanbevolen eerst een lokaal antibioticum (fusidinezuur) te gebruiken. Bij volwassenen bleek 5% en bij kinderen minder dan 1% van de bacteriën resistent tegen fusidinezuur, dus ook dat is een adequate optie voor de behandeling.

Tabel Het resistentieniveau van Staphylococcus aureus in Nederland voor eerste- en tweede keus orale antibiotica voor verschillende bacteriële huidinfecties vo

Eerste keus% resistentTweede keus% resistent
ImpetigoVolwassenenFlucloxacilline1,0Azithromycine6,9
KinderenFlucloxacilline0,0Azithromycine5,9
Cellulitis en erysipelasVolwassenenFlucloxacilline1,0Claritromycine5,5
KinderenClarithromycine4,2Azithromycine 5,9
Folliculitis en furunkel Flucloxacilline1,0n.v.t.

Atypische verwekker

Op dit moment worden vooral de virale verwekkers SARS-CoV-2, RS, influenza en rhinovirus gedetecteerd bij acute luchtweginfecties in de huisartsenpraktijk. Ziekenhuizen melden een toename van pneumonieën veroorzaakt door Mycoplasma pneumoniae. Een toename van deze (atypische) verwekker wordt ook teruggevonden in de keel- en neusmonsters in de Virologische weekstaten, zie: RecenteVirUitslagen27w | RIVM. De toename van het aantal pneumonieën bij kinderen wordt ook in andere landen (binnen en buiten Europa) gezien en wordt veroorzaakt door dezelfde (bovengenoemde) pathogenen.

Het medicamenteuze beleid voor huisartsen bij vermoeden van pneumonie is beschreven in de NHG-standaard Acuut hoesten | NHG-Richtlijnen.

Bij vermoeden van een pneumonie is het antibioticum amoxicilline nog steeds eerste keus. De reden hiervan is dat een pneumonie regelmatig wordt veroorzaakt door een pneumokok (S Pneumoniae). Een klein percentage van de pneumokokken is resistent tegen doxycycline.

Echter, gezien de huidige verheffing met de atypische verwekker Mycoplasma pneumoniae, is het extra van belang om na 2 dagen het effect van uw behandelbeleid te evalueren.

Wissel bij onvoldoende effect laagdrempelig naar (tweede keus) antibioticum doxycycline (of naar een macrolide zoals azithromycine).

Bronnen:

  • Actuele situatie luchtweginfecties | RIVM
  • Acuut hoesten | NHG-Richtlijnen
  • Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn – databron ziekten en zorg in de eerste lijn | Nivel
  • Nivel Peilstations – voor aanvullende gegevens over ziekten | Nivel
  • Infectieradar
  • Mycoplasma pneumoniae-infectie | LCI richtlijnen (rivm.nl)
  • WHO statement on reported clusters of respiratory illness in children in northern China
  • Uitgelicht week 48: aantal longontstekingen bij kinderen daalt | Nivel

Aanvullend onderzoek

Bij het vermoeden van osteochondritis dissecansosteochondritis dissecans, osteomyelitisosteomyelitis of een maligniteit wordt beeldvormend onderzoek en/of laboratoriumonderzoek aangevraagd. 5

Knieartrose: waarschijnlijk bij aanwezigheid van de volgende drie criteria: De volgende bevindingen maken de diagnose knieartrose waarschijnlijker: Iliotibiale bandsyndroom: bij pijn ter hoogte van de laterale femurcondyl tijdens of na het sporten.

Ziekte van Osgood-Schlatter: bij pijn tijdens of na sporten, (druk)pijnlijke zwelling ter hoogte van tuberositas tibiae, veelal unilateraal.

Andere diagnosen waarop de huisarts alert dient te zijn: meniscusletsel : knietrauma in het verleden, recidiverende hydrops, al dan niet met slotverschijnselen (zie de NHG-Standaard Traumatische knieklachten), referred pain (pijn veroorzaakt door aandoening buiten de knie, bijvoorbeeld de heup): afwijkingen bij bewegingsonderzoek van de heup.

Minder vaak voorkomende aandoeningen zijn: jicht, andere inflammatoire artritiden en septische artritis (zich vaak uitend door een warm, gezwollen gewricht, zie NHG-Standaard Artritis). Daarnaast moet de huisarts alert zijn op maligniteiten, juveniele artritis en osteochondritis dissecans (vallen buiten het bestek van deze standaard).

NHG-Standaard Niet-traumatische knieklachten

De Bakerse cyste wordt niet apart besproken, omdat deze meestal is gerelateerd aan knieartrose.

Genua vara en genua valga worden niet meer besproken, omdat standsafwijkingen meestal geen klachten geven.

Na publicatie in H&W worden er soms nog wijzigingen doorgevoerd in de NHG-Standaard. Zie voor de meest recente versie www.nhg.org/standaarden

Bij de meeste knieaandoeningen kan worden volstaan met voorlichting en adviezen.

Bij pijnklachten van de knie bij kinderen en adolescenten wordt geadviseerd om activiteiten die pijn uitlokken te verminderen. Dit advies sluit aan bij de gangbare praktijk, maar is niet wetenschappelijk onderbouwd.

Knieartrose is een klinische diagnose, waarbij in de huisartsenpraktijk beeldvormend onderzoek niet wordt aanbevolen.

Bij knieartrose stimuleert de huisarts een actieve leefstijl van de patiënt.

Voedingssupplementen (glucosamine, chondroïtine) worden niet aanbevolen voor de behandeling van knieartrose.

Etiologie, pathofysiologie en symptomatologie

Veelal zijn de pathofysiologische mechanismen van de in deze standaard besproken aandoeningen onduidelijk.

Als symptoom van knieartrose kan een Bakerse cyste Bakerse cyste ontstaan. Dit is een meestal niet-pijnlijke, fluctuerende zwelling in de knieholte. Een Bakerse cyste ontstaat waarschijnlijk doordat een zwakke plek in het kapsel vanuit het kniegewricht met vocht wordt gevuld als gevolg van een overproductie van synoviale vloeistof (hydrops), die door een ventielmechanisme moeilijk kan terugvloeien in het gewricht. Behalve door knieartrose, kan overproductie van synoviale vloeistof ook veroorzaakt worden door een al dan niet symptomatische intra-articulaire afwijking, zoals reumatoïde artritis of een meniscusletsel. Zolang de onderliggende oorzaak van de overproductie van synoviale vloeistof niet is weggenomen, zal de aandoening in wisselende mate aanwezig blijven.

Het iliotibiale bandsyndroom ontstaat door irritatie van de tractus iliotibialis over de laterale femurcondyl. De aandoening komt vooral voor bij duursporters, zoals duurlopers en toerfietsers. De pijn treedt op als de tractus iliotibialis naar voren schuift over de condyl bij kniestrekking en naar achteren bij kniebuiging. Het (pijnlijke) moment treedt op bij iets minder dan 30 graden kniebuiging.

Voor 16:00 besteld: dezelfde dag verzonden
Gratis verzending vanaf € 75
Klantenservice met jaren ervaring
Gratis sample bij je bestelling!