Winkelwagen
U heeft geen artikelen in uw winkelwagen
Een eerste episode herpes labialis vindt meestal plaats op de kleuterleeftijd en kan zich uiten als pijnlijke vesiculaire laesies van de orale mucosa (gingivostomatitis), eventueel gepaard met systemische symptomen (koorts, malaise). De laesies genezen over het algemeen binnen 1-2 weken. In het merendeel van de gevallen verloopt een eerste episode herpes labialis echter asymptomatisch.
Een recidief herpes labialis verloopt milder dan een eerste episode herpes labialis en blijft meestal beperkt tot de lippen (koortslip) zonder de mucocutane overgang te passeren, tenzij er sprake is van een gestoorde afweer. In het algemeen zijn recidieven te verwachten op plaatsen nabij de plek waar de eerste-episode-infectie zich heeft geuit (bijvoorbeeld herpes keratitis of herpetische fijt). Systemische symptomen komen bij een recidief van herpes labialis over het algemeen niet voor.
De blaasjes doorlopen verschillende stadia. Een blaasje kan spontaan opengaan, of door krabben en zo het aspect van een ulcus aannemen. Als de blaasinhoud daarna opdroogt treedt het crusteuze stadium in, waarin weinig tot geen infectieus virus meer wordt uitgescheiden. Daarna geneest de laesie doorgaans restloos. De totale duur kan variëren van 3 tot 7 dagen.
Bij het opnemen van de anamnese zal men zeker vragen of de cliënt deze (vroege) symptomen herkent van een eerdere gelegenheid.
Gutartige, umschriebene, knotige Neubildungen des subkutanen Fettgewebes, einzeln oder multipel vorkommend.
Die orale HSV-1-Infektion ist nach wie vor äußerst verbreitet und gehört zu den häufigsten Virusinfektionen beim Menschen weltweit. Nach Angaben der WHO sind weltweit schätzungsweise 3,7 Milliarden Menschen unter 50 Jahren (67 %) mit HSV-1 infiziert (Billions Worldwide Living with Herpes.
In den Vereinigten Staaten von Amerika (USA) sind 57 % bis 80 % der Erwachsenen von HSV-1 betroffen, während in Asien die Zahlen bei Erwachsenen (75 %), insbesondere bei Menschen aus niedrigen sozioökonomischen Schichten, und bei Kindern (50 %) aufgrund epidemiologischer Verschiebungen, die eine geringere Seroprävalenz in den jungen Kohorten zeigen, wesentlich höher sind (Khadr L et al.2019).
In einer ähnlichen Studie in Schweden lag die Zahl der lebenslangen Begegnungen mit symptomatischem Herpes labialis unter 3597 Teilnehmern bei etwa 40 %. Eine Querschnittserhebung unter amerikanischen College-Studenten ergab eine Prävalenz von HSV-1-Antikörpern von 37,2 % bei Studienanfängern und 46,1 % bei Studenten im letzten Studienjahr, was auf einen Rückgang der HSV-1-Seroprävalenz von 62,0 % (1988 bis 1994) auf 57,7 % (1999 bis 2004) hindeutet (Gibson JJ et al. 1990).
Systemisch hat sich die Behandlung mit Lysin, einer Aminosäure, im akuten Fall 3000 mg / Tag. Die Aminosäure Lysin führt in einer Dosis von 3 x 500-1000 mg / Tag zu einer rascheren Linderung bis Abheilung des akuten Herpes simplex. Handelspräparat zur diätetischen Behandlung: Lyranda ® Kautabletten. Diese enthalten neben L-Lysin noch Zink, Selen, Vitamine und Bioflavonoide. Empfohlene Dosierung bis zur Abheilung 3 Kautabletten / Tag. Desweiteren gibt es Lysin 500 und A Vitale L Lysin 750 Tbl.
Lokal zusätzlich Therapie mit Melissenblätter (Lomaherpan ® Creme), zu Beginn 4 x / Tag, dann 2-4 x täglich aufgetragen. Auch zur Prophylaxe und Pflege geeignet- hier gibt es eine Kombination aus Melissenblättern mit zusätzlichem Lichtschutzfaktor 30 (Lomaprotect ® )
Desweiteren werden Gerbstoffdrogen, Salbeiblätter in Kombination mit Rhababerwurzel (Rhei radix) (Pyralvex ® ) zu Pinselungen eingesetzt, In der Studie von Saller R. et al zeigte sich eine gleichwertige Wirkung zu Aciclovir bei weniger Studienabbrüchen.
Desweiteren wird Propolis (Propolisept ® Lippencreme) und Purpursonnenhutkraut (Echinaceae purpureae herba) (Echinacin ® Salbe Madaus, Echinacin ® Lipstick care + sun) eingesetzt.
De aard en ernst van de ziekteverschijnselen worden bepaald door gastheerspecifieke factoren zoals lokalisatie, vroegere niet-genitale HSV-infectie, geslacht, immuunstatus van de persoon en of er sprake is van een primo-infectie (meestal heftiger verloop) of een recidief. Er is geen verschil in ziekteverschijnselen tussen herpes genitalis door HSV-1 en HSV-2 (Holmes 2008).
Volgens de literatuur is slechts 37% van de nieuwe (primaire infectie) HSV-2-infecties symptomatisch, voor HSV-1 ligt dit rond 67%. De rest van de infecties, en dus de meerderheid van de genitale herpesinfecties, verloopt asymptomatisch of wordt niet als zodanig herkend. Bij mannen zijn de infecties vaker asymptomatisch dan bij vrouwen (Drake 2000, Langenberg 1999). Bij een symptomatische primo-infectie heeft 40% van de mannen en 70% van de vrouwen een prodromale fase, bestaande uit koorts, malaise en spierpijn (Holmes 2008). Hierna volgen bij vrouwen klachten als pijn, jeuk, dysurie, vaginale afscheiding en regionale lymfadenopathie. Bij mannen komen ook urethritisklachten voor en kan de mictie zodanig pijnlijk verlopen dat urineretentie optreedt. Zes tot 7 dagen na de eerste symptomen volgen de huid- en slijmvliesafwijkingen met soms ontwikkeling van de karakteristieke, met helder vocht gevulde blaasjes. De laesies duren bij een primo-infectie 7-28 dagen en genezen zonder littekens. Men dient rekening te houden met atypische laesies die zich presenteren als fissuren, furunkels, plaatselijke erytheem, lineaire ulceraties of excoriaties. Verder kan een herpetische proctitis ontstaan met anorectale pijn, obstipatie en ulcererende herpetiforme laesies.
Bij mannen zijn de laesies voornamelijk gelegen op de schacht van de penis (met uitzondering van de anorectale herpes), bij vrouwen zijn de laesies verspreid over de hele vulva en het perineum (Wald 2001). Minder bekend is dat bij vrouwen ook de cervix uteri vaak betrokken is bij een primo-infectie (Soa bestrijding 1998). Dit kan zeer pijnlijk zijn, waardoor een onderzoek van de cervix in speculo niet goed mogelijk is en de diagnose gemist wordt. Primaire infecties bij zwangeren kunnen asymptomatisch verlopen, twee derde van de zwangeren, seropositief voor HSV-2, bleken geen ulceraties gehad te hebben (Westhoff 2011).