Winkelwagen
U heeft geen artikelen in uw winkelwagen
Omdat mensen met het Lynch-syndroom (of mensen die er aanleg voor hebben) een sterk verhoogd risico hebben om verschillende soorten kanker te ontwikkelen, is het aan te raden om regelmatig controles te ondergaan om eventuele kanker in een vroeg stadium op te sporen en zo nodig te behandelen. In bepaalde situaties kan ook een operatie worden uitgevoerd om het risico te verminderen.
Vanwege het hoge risico op darmkanker wordt vanaf de leeftijd van 20-25 jaar elke één of twee jaar een visueel onderzoek van de dikke darm (colonoscopie) aanbevolen. Als er een poliep wordt gevonden, kan deze meestal tijdens het onderzoek worden verwijderd en onderzocht.
Vrouwen tussen de 30 en 40 jaar met (aanleg voor) het Lynch-syndroom wordt aangeraden zich één keer per jaar te laten onderzoeken door een gynaecoloog. Als baarmoederkanker in een vroeg stadium wordt ontdekt, kan het over het algemeen worden behandeld door de baarmoeder en de eierstokken te verwijderen.
Bij het Lynch syndroom is sprake van een erfelijke aanleg voor met name dikke darm- en baarmoederkanker. Deze informatie gaat over gynaecologische aspecten van Lynch syndroom. De consequenties van het Lynch syndroom voor wat betreft het risico op darmkanker en mogelijk andere vormen van kanker komen niet aan de orde.
Het Lynch syndroom wordt veroorzaakt door een ziekteveroorzakende verandering (pathogene variant of mutatie) in een erfelijke eigenschap (gen). Bij Lynch syndroom kunnen zogeheten pathogene varianten in het MLH1, MSH2,MSH6, PMS2, en het EPCAM gen voorkomen. Deze varianten erven doorgaans van generatie op generatie over, met een risico van 50% (autosomaal dominante overerving). Dit betekent dat kinderen van iemand met Lynch syndroom 50% kans hebben de aanleg voor Lynch syndroom te erven of geërfd te hebben.
Op dit moment wordt bij iedere vrouw met baarmoederslijmvlieskanker onder de 70 jaar een weefselkleuring van de tumor gedaan om te kijken of bij haar sprake kan zijn van Lynch syndroom. Pas wanneer met DNA-onderzoek in bloed een ziekte veroorzakende afwijking in 1 van bovengenoemde genen wordt gevonden, is inderdaad sprake van Lynch syndroom. Als een ziekteveroorzakende variant in de familie bekend is, is het mogelijk bij andere familieleden te onderzoeken of bij hen ook sprake is van Lynch syndroom. Genetisch onderzoek naar Lynch syndroom wordt uitgevoerd via het specialisme klinische genetica.
Bij het Lynch syndroom is het risico voor zowel baarmoederslijmvlieskanker (endometriumcarcinoom) als voor eierstokkanker (ovariumcarcinoom) verhoogd. Afhankelijk van het betrokken gen en uw familiegeschiedenis varieert de hoogte van het risico op baarmoederkanker tot de leeftijd van 70 jaar tussen de 15% en 55%. Het risico op eierstokkanker is doorgaans minder dan 15%.
In de tabel hieronder staat een ruwe schatting van de kans op eierstok- en baarmoederslijmvlieskanker zoals deze nu bekend zijn. Als meer informatie beschikbaar komt, veranderen de cijfers de komende jaren wellicht.
Lynch syndrome (LS) pathogenic variant carriers have an increased risk of a broad range of predominantly epithelial cancers, most frequently colorectal and endometrial cancer.
All new diagnoses of colorectal or endometrial cancer should be assessed for potential LS with mismatch repair (MMR) testing, and where defective, should trigger referral for constitutional MMR gene testing.
Gastroenterologists and other non-genetics service clinicians may now offer ‘mainstreamed’ genetic testing for LS to patients with cancer.
Patients diagnosed with LS require lifelong coordinated multidisciplinary care, where the application of interventions provides many opportunities to reduce cancer risk.
Colonoscopic surveillance should be performed every 2 years starting at age 25 years for MLH1, or MSH2 pathogenic variant carriers, or age 35 years for MSH6, or PMS2 pathogenic variant carriers.
Endoscopic lesions can be difficult to recognise due to a high frequency of flat non-polypoid morphology, and high-quality colonoscopy is essential.
Women should be counselled on prophylactic hysterectomy and bilateral salpingo-oopherectomy from age 40 years (MLH1, MSH2 and MSH6 variant carriers).
There is a gene-specific approach to surgical management of CRC which takes in to account other patient factors.
Chemoprophylaxis with daily aspirin for at least 2 years is recommended in patients